Het is zondag ...
Het is zondag, de dag na zaterdag, voor de pessimisten onder ons: de dag voor maandag. Ik heb weinig gedaan dit weekend, zal de rest van de dag ook weinig doen, ik heb het een beetje gehad met al dat huiswerk. Een beetje rondlummelen dus maar, denkend aan alles wat je had kunnen doen : die 2 plankjes ophangen die al een tijdje staan opgeslagen tegen de muur, je bureau opruimen, er heeft daar een veldslag gewoed, of gewoon dat muurtje maar eens in de verf zetten, dat moet ik al een paar weken, ach het is wel goed zo, lummelen maar.
Door dat rondlummelen, nouja rond, ik lummel op m’n plek zo word ik ook niet moe, dwaalden mijn gedachten door het verleden. Doordat ik vorige week weer eens een oud-collega tegenkwam die vroeg hoe het met collega B ging waarmee hij zo’n 15 jaar geleden had samengewerkt, dacht ik aan alles wat ik met hem had meegemaakt. En dat was niet weinig, wát een ‘raszeikert’ was die man, hij is ondertussen overleden, niets dan goeds over de overledenen natuurlijk, maar met hem hebben we zoveel vreemde voorvallen meegemaakt ...
Wij hadden een radio op onze werkplek, wij waren jong en moesten wat willen, vandaar dat daar de hele dag Radio Veronica uit schalde. Nou had collega B een behoorlijke pest aan de hedendaagse muziek, hij was een ‘ouwe lul’ , zeg maar zo’n beetje van mijn hedendaagse leeftijd (). Telkens als die radio naar zijn zin te hard stond begon hij met vloeken en tieren richting ons, de jonkies, en wij, wij voerden hem natuurlijk, telkens als hij even wegging en weer terugkwam stond dat ding een tandje harder. Net zolang tot wij het vloeken en tieren niet meer hoorden door het lawaai uit dat ding en de rode vlekken vanuit de hals van collega B waren gestegen tot zijn kaken.
En dan gebeurde het onvermijdelijke, collega B zocht de fysieke confrontatie, gooide met alles wat hij kon vinden en belaagde degene die het dichtst bij de radio zat. Deze moest dan snel bukken om niet geraakt te worden door een bahco, schroevedraaier of tang. Wij waren jong en onbezonnen maar vastberaden om hem niet in de buurt van onze radio te laten komen, we gaven hem niet de kans om hem zachter of zelfs af te zetten. Provocerend zaten wij vaak met onze helm en veiligheidsbril te wachten tot er weer een heel arsenaal aan gereedschap door de lucht zoefde. Maar op een dag werd hij ineens een stuk slimmer, er werd niet gegooid met gereedschap, maar het werd door hem gebruikt, oneigenlijk dat wel.
Collega B kwam die middag binnen terwijl de radio zo hard galmde dat de ruiten bijna uit het pand vlogen, ogenschijnlijk was hij rustig, maar ik zag de fonkeling in zijn ogen. Hij was duidelijk iets van plan, wij waren op ons hoedde. Hij was al 15 minuten binnen en er was nog niets gebeurd, wij begonnen ons toch een beetje zorgen te maken. Toen ik langs zijn plekje liep richting de koffiekamer zag ik nog net dat het ‘kwaadrood’, zoals wij dat noemden zich toch al tot zijn hals had uitgebreid, ik had ineens de behoefte om in die koffiekamer te blijven tot de ontploffing zou plaatsvinden. Met mijn koffie in de hand keek ik vanachter het veilige draadglas wat er gebeuren zou.
Even later pakte hij omzichtig zijn punttang, ik gebaarde naar mijn collega’s en instinctief bukte ik, ondanks dat ik mijzelf achter glas bevond. Collega B opende de tang en met een snelle beweging bracht hij hem naar het stopcontact. Een steekvlam, een grimas van pijn op het gezicht van collega B, door het spontaan gesmolten metaal van de tang dat gloeiende spetters op zijn hand achterliet en een totaal verbouwereerde meute bij de radio waren het gevolg van de ze actie. Er heerste totale stilte en de verlichting was uit, alleen de koffieautomaat, gevoed door een andere groep, zoemde zacht. Die week kostte het collega B nog 2 punttangen en wij zorgden dat ze niet meer aanwezig waren in het magazijn, eens zien wat hij daarna ging gebruiken.
Het was maandag, collega B was naar de tandarts, wij hadden tijd genoeg om ons plannetje dat we vrijdag’s bij een biertje in het plaatselijk café hadden gesmeed te verwezenlijken. Rond 11.00u zou B weer terug zijn, de radio galmde voor zijn ontvangst en wij waren benieuwd hoelang hij het zou uithouden. Hij had nog 1 geisoleerde punttang wisten wij, zou hij hem opofferen? Het duurde nog tot ’s middags een uur of 2 dat het kwaadrood weer op zijn kaken stond, stevige discussies over de radio waren vooraf gegaan aan het uiteindelijk lot van zijn laatste punttang. Daar gebeurde het, hij stak de tang tijdens een scheldkanonnade in het stopcontact, het licht ging uit, zijn aquairiumpomp stopte .... maar de radio galmde door!
Door dat rondlummelen, nouja rond, ik lummel op m’n plek zo word ik ook niet moe, dwaalden mijn gedachten door het verleden. Doordat ik vorige week weer eens een oud-collega tegenkwam die vroeg hoe het met collega B ging waarmee hij zo’n 15 jaar geleden had samengewerkt, dacht ik aan alles wat ik met hem had meegemaakt. En dat was niet weinig, wát een ‘raszeikert’ was die man, hij is ondertussen overleden, niets dan goeds over de overledenen natuurlijk, maar met hem hebben we zoveel vreemde voorvallen meegemaakt ...
Wij hadden een radio op onze werkplek, wij waren jong en moesten wat willen, vandaar dat daar de hele dag Radio Veronica uit schalde. Nou had collega B een behoorlijke pest aan de hedendaagse muziek, hij was een ‘ouwe lul’ , zeg maar zo’n beetje van mijn hedendaagse leeftijd (). Telkens als die radio naar zijn zin te hard stond begon hij met vloeken en tieren richting ons, de jonkies, en wij, wij voerden hem natuurlijk, telkens als hij even wegging en weer terugkwam stond dat ding een tandje harder. Net zolang tot wij het vloeken en tieren niet meer hoorden door het lawaai uit dat ding en de rode vlekken vanuit de hals van collega B waren gestegen tot zijn kaken.
En dan gebeurde het onvermijdelijke, collega B zocht de fysieke confrontatie, gooide met alles wat hij kon vinden en belaagde degene die het dichtst bij de radio zat. Deze moest dan snel bukken om niet geraakt te worden door een bahco, schroevedraaier of tang. Wij waren jong en onbezonnen maar vastberaden om hem niet in de buurt van onze radio te laten komen, we gaven hem niet de kans om hem zachter of zelfs af te zetten. Provocerend zaten wij vaak met onze helm en veiligheidsbril te wachten tot er weer een heel arsenaal aan gereedschap door de lucht zoefde. Maar op een dag werd hij ineens een stuk slimmer, er werd niet gegooid met gereedschap, maar het werd door hem gebruikt, oneigenlijk dat wel.
Collega B kwam die middag binnen terwijl de radio zo hard galmde dat de ruiten bijna uit het pand vlogen, ogenschijnlijk was hij rustig, maar ik zag de fonkeling in zijn ogen. Hij was duidelijk iets van plan, wij waren op ons hoedde. Hij was al 15 minuten binnen en er was nog niets gebeurd, wij begonnen ons toch een beetje zorgen te maken. Toen ik langs zijn plekje liep richting de koffiekamer zag ik nog net dat het ‘kwaadrood’, zoals wij dat noemden zich toch al tot zijn hals had uitgebreid, ik had ineens de behoefte om in die koffiekamer te blijven tot de ontploffing zou plaatsvinden. Met mijn koffie in de hand keek ik vanachter het veilige draadglas wat er gebeuren zou.
Even later pakte hij omzichtig zijn punttang, ik gebaarde naar mijn collega’s en instinctief bukte ik, ondanks dat ik mijzelf achter glas bevond. Collega B opende de tang en met een snelle beweging bracht hij hem naar het stopcontact. Een steekvlam, een grimas van pijn op het gezicht van collega B, door het spontaan gesmolten metaal van de tang dat gloeiende spetters op zijn hand achterliet en een totaal verbouwereerde meute bij de radio waren het gevolg van de ze actie. Er heerste totale stilte en de verlichting was uit, alleen de koffieautomaat, gevoed door een andere groep, zoemde zacht. Die week kostte het collega B nog 2 punttangen en wij zorgden dat ze niet meer aanwezig waren in het magazijn, eens zien wat hij daarna ging gebruiken.
Het was maandag, collega B was naar de tandarts, wij hadden tijd genoeg om ons plannetje dat we vrijdag’s bij een biertje in het plaatselijk café hadden gesmeed te verwezenlijken. Rond 11.00u zou B weer terug zijn, de radio galmde voor zijn ontvangst en wij waren benieuwd hoelang hij het zou uithouden. Hij had nog 1 geisoleerde punttang wisten wij, zou hij hem opofferen? Het duurde nog tot ’s middags een uur of 2 dat het kwaadrood weer op zijn kaken stond, stevige discussies over de radio waren vooraf gegaan aan het uiteindelijk lot van zijn laatste punttang. Daar gebeurde het, hij stak de tang tijdens een scheldkanonnade in het stopcontact, het licht ging uit, zijn aquairiumpomp stopte .... maar de radio galmde door!
Helaas konden wij de verbazing en verbittering op zijn gezicht niet vastleggen, zijn laatste punttang naar de haalien en nog steeds muziek! Zo rood als hij toen werd hebben wij hem nooit meer gezien, zeker 4 weken lang heeft hij geen woord meer tegen ons gezegd, en wij hebben die weken met extra plezier naar de radio geluisterd. Wij hadden de radio gewoon op dezelfde groep aangesloten als de koffieautomaat, 2 levensbehoeften die collega B moesten kunnen overleven, en dat lukte uiteindelijk ....

0 Comments:
Post a Comment
<< Home